Przewalski paarden op de Noorderheide
Achtergrond informatie
De Noorderheide is een groot voor publiek afgesloten landgoed, dat in 1983 door Staats bosbeheer is aangekocht. Het ligt in het centrum van ons land tussen Elspeet en Vierhouten op Veluwe. Het 250 ha grote gebied bestaat voor een derde gedeelte uit bos. De Przewalski paarden voeden zich 's zomers met het gras dat tussen de heide groeit en 's winters op de wildakkers. Het aantrekkelijke van dit gebied van de Przewalski paarden is het samenleven met een veelheid van andere diersoorten zoals Leiten, moeflons, vossen en dassen. Helaas moesten ze 's winters wel bijgevoerd worden.
Toekomst
In 1996 zijn er vanuit Noorderheide enkele Przewalski paarden op transport gegaan naar Hustain Nuruu. Na dit derde transport is de stichting begonnen aan een geleidelijk afbouw van de fokkerij in semi - reservaten. De fokkerij op de Noorderheide is gestopt. Immers na 2000 zullen er in Hustain Nuruu genoeg Przewalski zijn om een duurzame populatie in het wild op te bouwen. Er zijn dan geen transporten meer nodig en de doelstelling van de fokkerij in semi - reservaten is vervuld.
http://www.treemail.nl/takh/
Hoe werkt de Rassenlijst?
Hoe werkt de Rassenlijst?
Ik heb een Rassenlijst gemaakt. Dit omdat vele paarden, pony, ezel en zebra rassen per land en zelfs per streek anders worden genoemd. Het is dus zo dat één ras vele verschillende 'namen' kan hebben. Dit schept soms verwarring. Daarom heb ik getracht een lijst te maken op alfabet.
Weet jij nog een verbetering of aanvulling voor de rassenlijst, dan hoor ik het natuurlijk graag van je!
Posts tonen met het label Chinois Mongol. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Chinois Mongol. Alle posts tonen
zaterdag 21 maart 2009
Przewalski
Przewalski
Herkomst - Mongolie
Stokmaat
De stokmaat varieert van 1,22 tot 1,44 meter.
Kleur
Het Przewalskipaard wordt gekenmerkt door zijn zandkleurige vel.
Karakter
De Przewalski is een taai en sober paard, met
alle eigenschappen van een wild paard.
Exterieur
De Przewalski valt op door zijn ruige,
rechtopstaande manenkam. Het hoofd is vrij
groot en grof en heeft witte snuit. De manen,
rug en staart hebben een duidelijke aalstreep,
de benen zijn donker en kunnen ook
zebrastrepen vertonen
Gebruiksmogelijkheden
De Przewalski wordt niet als rijpaard gebruikt, maar wordt ingezet als begrazer in natuurreservaten.
Bijzonderheden
Het Przewalskipaard wordt beschouwd als de voorouder van de Arabier en andere oosterse rassen. Het is het enige echte oerpaard dat nog op onze aardbol leeft. Tijdens een ontdekkingsreis in Centraal-Azie in opdracht van de tsaar constateerde kolonel Przewalski dat er in Mongolie nog echte wilde paarden waren. Hij ontdekte de dieren in het TachinSchahgebergte (letterlijk de bergen van de gele paarden). In 1880 maakte de kolonel officieel de ontdekking bekend van het wilde paard, dat naar hem vernoemd werd. Lange tijd is het voortbestaan van dit wilde Mongoolse paard erg onzeker geweest. Het leefde alleen nog in dierentuinen. Omdat verschillende landen zich hebben ingezet voor het behoud van dit paard is hun aantal de laatste jaren weer toegenomen. Er zijn zelfs weer Przewalskipaarden in natuurgebieden uitgezet, zodat ze weer in het wild te bewonderen zijn.
Herkomst - Mongolie
Stokmaat
De stokmaat varieert van 1,22 tot 1,44 meter.
Kleur
Het Przewalskipaard wordt gekenmerkt door zijn zandkleurige vel.
Karakter
De Przewalski is een taai en sober paard, met
alle eigenschappen van een wild paard.
Exterieur
De Przewalski valt op door zijn ruige,
rechtopstaande manenkam. Het hoofd is vrij
groot en grof en heeft witte snuit. De manen,
rug en staart hebben een duidelijke aalstreep,
de benen zijn donker en kunnen ook
zebrastrepen vertonen
Gebruiksmogelijkheden
De Przewalski wordt niet als rijpaard gebruikt, maar wordt ingezet als begrazer in natuurreservaten.
Bijzonderheden
Het Przewalskipaard wordt beschouwd als de voorouder van de Arabier en andere oosterse rassen. Het is het enige echte oerpaard dat nog op onze aardbol leeft. Tijdens een ontdekkingsreis in Centraal-Azie in opdracht van de tsaar constateerde kolonel Przewalski dat er in Mongolie nog echte wilde paarden waren. Hij ontdekte de dieren in het TachinSchahgebergte (letterlijk de bergen van de gele paarden). In 1880 maakte de kolonel officieel de ontdekking bekend van het wilde paard, dat naar hem vernoemd werd. Lange tijd is het voortbestaan van dit wilde Mongoolse paard erg onzeker geweest. Het leefde alleen nog in dierentuinen. Omdat verschillende landen zich hebben ingezet voor het behoud van dit paard is hun aantal de laatste jaren weer toegenomen. Er zijn zelfs weer Przewalskipaarden in natuurgebieden uitgezet, zodat ze weer in het wild te bewonderen zijn.
Przewalski, Nikolaj Michajlowicz
Przewalski, Nikolaj Michajlowicz
Tussen de ezels en lama's komen we in de dierentuin steevast het przewalskipaard tegen. In 1879 werd dit paard ontdekt en in 1881 werd de ontdekking officiëel beschreven. De laatste zeven wilde paarden werden in 1968 nog op de grens tussen Mongolië en China gezien. Het paard, beroemd vanwege zijn naam, werd een echt dierentuin-dier. Uitgebreid wordt dit paard beschreven in The Chant of Paradise, the Antwerp Zoo: 150 years of history door R.Baetens (Lannoo Tielt, 1993), een glossy boek in folio-formaat dat tot voor kort nog in de ramsh lag.
De naam achter dit paard is de botanische ontdekkingsreiziger N.M.Przewalski (1839-1888). In 1863 hielp hij als militair de Russen een Poolse opstand te onderdrukken. In 1867 werd hij overgeplaatst naar Oost Siberië, waar hij naast zijn destructieve beroep zoölogische vondsten deed en zo'n 200 plantensoorten verzamelde die nu te vinden zijn in het herbarium van de botanische tuin van St.Petersburg. Zijn eerste reis op eigen kosten was tussen 1870 en 1873. Vanaf de Russische grens tot Peking deed hij er zes weken over. Zijn tweede reis waarin hij de beroemde paarden zag, begon in 1876. Hij maakte nog een derde en vierde reis tussen respectievelijk 1897-1880 en 1883-1885. Uitgebreid wordt Przewalski behandeld in de tweedelige History of botanical discoveries in China door E.Bretschneider (1898). Naast bekende plantenjagers en ontdekkingsreizigers als Sir Joseph D.Hooker, J.Decaisne, Père Delavay en C.Maximowicz, waarvan we de namen steeds weer zien opduiken in de soortnamen van tuinplanten is Przewalskii minder bekend gebleven in tuinkringen omdat hij vooral veel kruidachtige planten ontdekte die wij in tuinen niet toepassen. Wel komt zijn naam bij een aantal gewassen voor in de soortnaam als Rosa przewalskii, een rode roos, verzameld mei 1880 op de Djakhar-berg. En verder (om er enkele te noemen): Delphinium, Ligularia, Saxifraga, Salvia, Sedum, Rhododendron en Gentiana. Allium przewalskianum kwam al snel in cultuur. Ook ontdekte hij een lekkere rabarberplant, waarvan hij zaad zond. In heel Europa werden de afstammelingen hiervan verspreid. Het plantengeslacht Przewalskia, gevonden in NO Tibet op 14.500 voet hoogte op 31 mei 1884, ben ik nog bij geen enkele kweker tegengekomen. IJdeltuiten noemden vaak planten naar zichzelf. Vaak blijkt de plant al eerder te zijn beschreven en volgens het prioriteitsbeginsel in de De Internationale Code van Botanische Nomenclatuur (ICBN) is het de eerste naamgever die telt. Uiteraard zijn er uitzonderingen gemaakt. In de regel is de naam die later werd gegeven niet geldig en kan alleen als synoniem worden vermeld. Van de voornoemde plantengeslachten met przewalskii als soortnaam ben ik alleen Salvia en Ligularia tegengekomen in Nederlandse kwekerscatalogi. Op de vijfde reis naar Centraal Azië, waarvoor hij van de keizer 80.000 roebel meekreeg, vertrok in augustus 1888 en overleed hij op de 20e oktober, nog voor de grens met China was overgestoken. Bij keizerlijk decreet werd besloten de stad Karakol om te dopen in Przewalsk. In de Alexander-tuin in St.Petersburg werd in 1892 een monument opgericht van zijn buste met aan de voet van de sokkel een liggende kameel. Het was de bedoeling rond dit monument door Przewalski geïntroduceerde vondsten te planten.
Misschien leidt dit artikel ertoe een thematuin op te richten naar aanleiding van plantenexpedities door Przewalski of andere beroemdheden. Nu tuinieren op kleur, wat na de aanleg van de beroemde witte tuin door Vita Sackville-West een grote vlucht nam weer tanende is, is het toe aan misschien wel thematuinen. Bijvoorbeeld naar werelddeel, landstreek, naar ontdekker, welke in de bijbel voorkwamen, planten die sinds een bepaalde tijd in cultuur zijn, waarmee magie werd bedreven, naar aanleiding van een bepaald kruidboek enz. Met wat moeite is in het tuinierdersvak nog heel wat uit te diepen. De groenwarenhuizen en hoveniersorganisaties vervlakken de tuincultuur, maar dankzij alle fijnkwekers is er de laatste jaren weer nuance en verdieping, waardoor de mogeliijkheden sterk zijn vergroot.
Klaas T. Noordhuis
Tussen de ezels en lama's komen we in de dierentuin steevast het przewalskipaard tegen. In 1879 werd dit paard ontdekt en in 1881 werd de ontdekking officiëel beschreven. De laatste zeven wilde paarden werden in 1968 nog op de grens tussen Mongolië en China gezien. Het paard, beroemd vanwege zijn naam, werd een echt dierentuin-dier. Uitgebreid wordt dit paard beschreven in The Chant of Paradise, the Antwerp Zoo: 150 years of history door R.Baetens (Lannoo Tielt, 1993), een glossy boek in folio-formaat dat tot voor kort nog in de ramsh lag.
De naam achter dit paard is de botanische ontdekkingsreiziger N.M.Przewalski (1839-1888). In 1863 hielp hij als militair de Russen een Poolse opstand te onderdrukken. In 1867 werd hij overgeplaatst naar Oost Siberië, waar hij naast zijn destructieve beroep zoölogische vondsten deed en zo'n 200 plantensoorten verzamelde die nu te vinden zijn in het herbarium van de botanische tuin van St.Petersburg. Zijn eerste reis op eigen kosten was tussen 1870 en 1873. Vanaf de Russische grens tot Peking deed hij er zes weken over. Zijn tweede reis waarin hij de beroemde paarden zag, begon in 1876. Hij maakte nog een derde en vierde reis tussen respectievelijk 1897-1880 en 1883-1885. Uitgebreid wordt Przewalski behandeld in de tweedelige History of botanical discoveries in China door E.Bretschneider (1898). Naast bekende plantenjagers en ontdekkingsreizigers als Sir Joseph D.Hooker, J.Decaisne, Père Delavay en C.Maximowicz, waarvan we de namen steeds weer zien opduiken in de soortnamen van tuinplanten is Przewalskii minder bekend gebleven in tuinkringen omdat hij vooral veel kruidachtige planten ontdekte die wij in tuinen niet toepassen. Wel komt zijn naam bij een aantal gewassen voor in de soortnaam als Rosa przewalskii, een rode roos, verzameld mei 1880 op de Djakhar-berg. En verder (om er enkele te noemen): Delphinium, Ligularia, Saxifraga, Salvia, Sedum, Rhododendron en Gentiana. Allium przewalskianum kwam al snel in cultuur. Ook ontdekte hij een lekkere rabarberplant, waarvan hij zaad zond. In heel Europa werden de afstammelingen hiervan verspreid. Het plantengeslacht Przewalskia, gevonden in NO Tibet op 14.500 voet hoogte op 31 mei 1884, ben ik nog bij geen enkele kweker tegengekomen. IJdeltuiten noemden vaak planten naar zichzelf. Vaak blijkt de plant al eerder te zijn beschreven en volgens het prioriteitsbeginsel in de De Internationale Code van Botanische Nomenclatuur (ICBN) is het de eerste naamgever die telt. Uiteraard zijn er uitzonderingen gemaakt. In de regel is de naam die later werd gegeven niet geldig en kan alleen als synoniem worden vermeld. Van de voornoemde plantengeslachten met przewalskii als soortnaam ben ik alleen Salvia en Ligularia tegengekomen in Nederlandse kwekerscatalogi. Op de vijfde reis naar Centraal Azië, waarvoor hij van de keizer 80.000 roebel meekreeg, vertrok in augustus 1888 en overleed hij op de 20e oktober, nog voor de grens met China was overgestoken. Bij keizerlijk decreet werd besloten de stad Karakol om te dopen in Przewalsk. In de Alexander-tuin in St.Petersburg werd in 1892 een monument opgericht van zijn buste met aan de voet van de sokkel een liggende kameel. Het was de bedoeling rond dit monument door Przewalski geïntroduceerde vondsten te planten.
Misschien leidt dit artikel ertoe een thematuin op te richten naar aanleiding van plantenexpedities door Przewalski of andere beroemdheden. Nu tuinieren op kleur, wat na de aanleg van de beroemde witte tuin door Vita Sackville-West een grote vlucht nam weer tanende is, is het toe aan misschien wel thematuinen. Bijvoorbeeld naar werelddeel, landstreek, naar ontdekker, welke in de bijbel voorkwamen, planten die sinds een bepaalde tijd in cultuur zijn, waarmee magie werd bedreven, naar aanleiding van een bepaald kruidboek enz. Met wat moeite is in het tuinierdersvak nog heel wat uit te diepen. De groenwarenhuizen en hoveniersorganisaties vervlakken de tuincultuur, maar dankzij alle fijnkwekers is er de laatste jaren weer nuance en verdieping, waardoor de mogeliijkheden sterk zijn vergroot.
Klaas T. Noordhuis
Mongoolse paard en Dzjengiz-Khan
Mongoolse paard en Dzjengiz-Khan
Dzjengiz-Khan veroverde zijn Mongoolse wereldrijk (het grootste rijk ooit) vanaf de rug van het Mongoolse paard, dat in type en grootte veel lijkt op de huidige IJslander ...
Dzjengiz-Khan veroverde zijn Mongoolse wereldrijk (het grootste rijk ooit) vanaf de rug van het Mongoolse paard, dat in type en grootte veel lijkt op de huidige IJslander ...
Mongoolse pony
Mongoolse pony
Herkomst: Mongolië.
Schofthoogte: De schofthoogte ligt tussen de 1,22 en de 1,42 meter.
Exterieur: Het dier is sterk en heeft een korte, dikke hals, een zwaar hoofd en stevige benen. De schouders zijn schuin en gespierd; de rug is recht en sterk en de achterhand is lang en loopt schuins af.
Kleur: De vacht kan zwart, voskleurig, palomino of schimmel zijn.
Informatie: De Mongoolse pony werd gefokt door oorlogvoerende Mongoolse volkeren en stamt waarschijnlijk af van het Aziatische wilde paard. Hij is mogelijk één van de invloedrijkste basisbronnen ter wereld: zijn genen kan men waarschijnlijk in alle hedendaagse Volbloeden, Arabieren en daarvan afstammende rassen terugvinden. Behalve dat het dier relatief snel is, is deze compacte pony geduldig, taai en gehard en heeft een goed uithoudingsvermogen.
Gebruiksmogelijkheden: De Mongoolse pony wordt gebruikt als rij-, pak-, veedrijvers- en trekpony en voor het werk op de boerderij. Daarnaast dient hij als polopony
Herkomst: Mongolië.
Schofthoogte: De schofthoogte ligt tussen de 1,22 en de 1,42 meter.
Exterieur: Het dier is sterk en heeft een korte, dikke hals, een zwaar hoofd en stevige benen. De schouders zijn schuin en gespierd; de rug is recht en sterk en de achterhand is lang en loopt schuins af.
Kleur: De vacht kan zwart, voskleurig, palomino of schimmel zijn.
Informatie: De Mongoolse pony werd gefokt door oorlogvoerende Mongoolse volkeren en stamt waarschijnlijk af van het Aziatische wilde paard. Hij is mogelijk één van de invloedrijkste basisbronnen ter wereld: zijn genen kan men waarschijnlijk in alle hedendaagse Volbloeden, Arabieren en daarvan afstammende rassen terugvinden. Behalve dat het dier relatief snel is, is deze compacte pony geduldig, taai en gehard en heeft een goed uithoudingsvermogen.
Gebruiksmogelijkheden: De Mongoolse pony wordt gebruikt als rij-, pak-, veedrijvers- en trekpony en voor het werk op de boerderij. Daarnaast dient hij als polopony
Mongoolse Paard - Khans
Mongoolse Paard - Khans
Khans
Zevenhonderd jaar geleden bracht Djengis Khan de Mongolenstammen bij elkaar en veroverde de halve wereld. De Khan, de meester, was machtig en had grote delen van het oostelijk halfrond in een vast greep. Ook zijn kleinzoon, Khoubilaï Khaän was heerszuchtig.
Djengis Khan
Djengis Khan was een geboren leider en zijn Mongoolse krijgers waren onverslaanbaar. Ze reden op lelijke Mongoolse pony's, bekend om hun snelheid en uithoudingsvermogen. Ze waren gefokt met behulp van de kudde wilde paarden die overal rondzworven in Mongolië. Ze konden grote afstanden atleggen zonder water en waren vast ter been. Bijna iedere soldaat in het Mongoolse leger had een pony. Sommige ruiters waren zwaar bewapend. anderen droegen een korte boog om vanuit het zadel te kunnen schieten. Vanuit snelle rengalop konden deze boogschutters hun dodelijke pijlen afschieten.
Het rijk van de Khan was zo groot dat hij een koeriersdienst oprichtte die de Pijlruiters werd genoemd. Deze snel rijdende boodschapper omwikkelden hun lichaam met bandages om extra bestand te zijn tegen de ritten, waarbij ze soms wel vijftig uur in het zadel moesten zitten. Hun paarden droegen een bel, zodat ze op de wisselstations steeds nieuwe paarden klaargezet werden.
Khoubilaï Khaän
Kuhlai Khan, de kleinzoon van Djengis Khan, erfde het rijk, en ging verder naar China waar hij bleef wonen. Hij had een voorkeur voor witte paarden. Men zegt dat hij gedurende zijn regeringsperiode wel 10000 schimmels heeft gekregen van dankbare onderdanen. De mooiste gingen naar de keizerlijke stallen. Alleen de koninklijke familie mocht van de melk drinken van de meries, een zeer geliefd drankje in die tijd.
Tamerlane
Tamerlane was een latere heerser in het Mongoolse rijk. Hij woonde in Centraal-Azië en werd in 1369 uitgeroepen tot koning van de Tartaren. Tamerlane herstelde de koeriersdienst van Djengis Khan weer in ere. Hij liet bruggen en wegen aanleggen en vele wisselstations. Als het paard van een Pijlruiter gewond raakte, mocht hij een paard van een voorbijganger opeisen.
Khans
Zevenhonderd jaar geleden bracht Djengis Khan de Mongolenstammen bij elkaar en veroverde de halve wereld. De Khan, de meester, was machtig en had grote delen van het oostelijk halfrond in een vast greep. Ook zijn kleinzoon, Khoubilaï Khaän was heerszuchtig.
Djengis Khan
Djengis Khan was een geboren leider en zijn Mongoolse krijgers waren onverslaanbaar. Ze reden op lelijke Mongoolse pony's, bekend om hun snelheid en uithoudingsvermogen. Ze waren gefokt met behulp van de kudde wilde paarden die overal rondzworven in Mongolië. Ze konden grote afstanden atleggen zonder water en waren vast ter been. Bijna iedere soldaat in het Mongoolse leger had een pony. Sommige ruiters waren zwaar bewapend. anderen droegen een korte boog om vanuit het zadel te kunnen schieten. Vanuit snelle rengalop konden deze boogschutters hun dodelijke pijlen afschieten.
Het rijk van de Khan was zo groot dat hij een koeriersdienst oprichtte die de Pijlruiters werd genoemd. Deze snel rijdende boodschapper omwikkelden hun lichaam met bandages om extra bestand te zijn tegen de ritten, waarbij ze soms wel vijftig uur in het zadel moesten zitten. Hun paarden droegen een bel, zodat ze op de wisselstations steeds nieuwe paarden klaargezet werden.
Khoubilaï Khaän
Kuhlai Khan, de kleinzoon van Djengis Khan, erfde het rijk, en ging verder naar China waar hij bleef wonen. Hij had een voorkeur voor witte paarden. Men zegt dat hij gedurende zijn regeringsperiode wel 10000 schimmels heeft gekregen van dankbare onderdanen. De mooiste gingen naar de keizerlijke stallen. Alleen de koninklijke familie mocht van de melk drinken van de meries, een zeer geliefd drankje in die tijd.
Tamerlane
Tamerlane was een latere heerser in het Mongoolse rijk. Hij woonde in Centraal-Azië en werd in 1369 uitgeroepen tot koning van de Tartaren. Tamerlane herstelde de koeriersdienst van Djengis Khan weer in ere. Hij liet bruggen en wegen aanleggen en vele wisselstations. Als het paard van een Pijlruiter gewond raakte, mocht hij een paard van een voorbijganger opeisen.
Mongoolse Pony
Mongoolse Pony
Soort: pony
Herkomst: China
Kijk ook bij: Mongoolse wilde paard
Over de Mongoolse pony
Dit aan het Chinese paard verwante ras is ontstaan in de steppen en woestijnen van Centraal-Azië, en diende Djengis Chan en zijn troepen in hun opmars naar het westen. Deze pony's hebben overigens veel invloed gehad op de ontwikkeling van andere paarden- en ponyrassen in Eurazië. Ze worden door Nomadische stammen in Centraal-Azië nog steeds gebruikt voor velerlei doeleinden. Het is een taai en sober ras met een groot uithoudingsvermogen. De pony's zijn snel op de korte afstand.
De Mongoolse pony is gedrongen en beknopt, met benen van goede kwaliteit. De pony komt voor in de kleuren zwart, bruin en wildkleur. Deze pony's zijn met een gemiddelde stokmaat van 130 cm iets kleiner dan het Chinese paard.
Belangrijke subtypen zijn de Lli, Wuchumutsin, Hailar, Sanho, Sanpeitze en Heilung Chiang.
Invloeden
Vreemd bloed
Aziatisch wilde paard
Soort: pony
Herkomst: China
Kijk ook bij: Mongoolse wilde paard
Over de Mongoolse pony
Dit aan het Chinese paard verwante ras is ontstaan in de steppen en woestijnen van Centraal-Azië, en diende Djengis Chan en zijn troepen in hun opmars naar het westen. Deze pony's hebben overigens veel invloed gehad op de ontwikkeling van andere paarden- en ponyrassen in Eurazië. Ze worden door Nomadische stammen in Centraal-Azië nog steeds gebruikt voor velerlei doeleinden. Het is een taai en sober ras met een groot uithoudingsvermogen. De pony's zijn snel op de korte afstand.
De Mongoolse pony is gedrongen en beknopt, met benen van goede kwaliteit. De pony komt voor in de kleuren zwart, bruin en wildkleur. Deze pony's zijn met een gemiddelde stokmaat van 130 cm iets kleiner dan het Chinese paard.
Belangrijke subtypen zijn de Lli, Wuchumutsin, Hailar, Sanho, Sanpeitze en Heilung Chiang.
Invloeden
Vreemd bloed
Aziatisch wilde paard
Mongoolse Paard - Paard/Mori/Aduu
Mongoolse Paard - Paard/Mori/Aduu
Paard: Het Mongoolse woord voor paard is "mori' of "aduu". Het paard is het meest geliefde dier van de Mongolen. De beroemde kleine Mongoolse paarden, hebben de Mongolen al eeuwen gedragen en hierop de halve wereld veroverd. Het was het belangrijkste transportmiddel van de Mongolen. Het is dan ook zeer zeldzaam dat een Mongool een paard zal doden. Men eet geen paardenvlees en zal ook de huid ervan niet bewerken. Maar de manen en de haren van de staart worden wel gebruikt om tassen en dergelijke van te maken. De paarden hebben een krachtige nek, enigszins dikke benen en een zachte vacht, maar het is fameus om zijn snelheid, uithoudingsvermogen en kracht. Het paard wordt ook wel gezien als het symbool van Mongolië.
Het paard als belangrijkste lid van het leger
Het paard was echter het meest waardevolle bezit van de Mongoolse ruiter. De dieren werden voor een periode van meer dan drie jaar getraind. De steppepaarden waren bekend om hun dapperheid en uithoudingsvermogen. De paarden moesten slechts een keer per dag drinken en konden onder de sneeuw zelf op zoek gaan naar gras. Meestal was het omwille van de zelfstandigheid van de paarden zelfs niet nodig om extra voedsel voor de paarden mee te nemen. Meestal kozen de ruiters merries omdat ze zowel de melk als het bloed konden drinken in geval van voedselschaarste in de strijd. Elke ruiter had tussen de drie en twintig paarden, zodat hij onafgebroken kon rijden. Een ruiter kon met gemak boogschieten vanop zijn paard en zelfs slapen en eten. Vaak vergezelde het rondtrekkende leger een kudde van ongeveer 10 000 paarden, onderverdeeld volgens kleur, om duidelijk het onderscheid te kunnen maken. Zwakke paarden werden gedood om op te eten, maar paarden die zich in de strijd dapper hadden gedragen werden gerespecteerd. In geval van zware verwondingen met kreupelheid tot gevolg werden ze wel afgemaakt. Als het paard enorm geliefd was door zijn meester werd het bij diens dood zelf ook gedood, zodat paard en eigenaar zich zouden kunnen verenigen in het leven na de dood. De paarden kregen lichte zadels, gedecoreerd met zilver. Paarden van de zware cavalerie kregen zelfs harnassen, gemaakt van rundervel.
Paard: Het Mongoolse woord voor paard is "mori' of "aduu". Het paard is het meest geliefde dier van de Mongolen. De beroemde kleine Mongoolse paarden, hebben de Mongolen al eeuwen gedragen en hierop de halve wereld veroverd. Het was het belangrijkste transportmiddel van de Mongolen. Het is dan ook zeer zeldzaam dat een Mongool een paard zal doden. Men eet geen paardenvlees en zal ook de huid ervan niet bewerken. Maar de manen en de haren van de staart worden wel gebruikt om tassen en dergelijke van te maken. De paarden hebben een krachtige nek, enigszins dikke benen en een zachte vacht, maar het is fameus om zijn snelheid, uithoudingsvermogen en kracht. Het paard wordt ook wel gezien als het symbool van Mongolië.
Het paard als belangrijkste lid van het leger
Het paard was echter het meest waardevolle bezit van de Mongoolse ruiter. De dieren werden voor een periode van meer dan drie jaar getraind. De steppepaarden waren bekend om hun dapperheid en uithoudingsvermogen. De paarden moesten slechts een keer per dag drinken en konden onder de sneeuw zelf op zoek gaan naar gras. Meestal was het omwille van de zelfstandigheid van de paarden zelfs niet nodig om extra voedsel voor de paarden mee te nemen. Meestal kozen de ruiters merries omdat ze zowel de melk als het bloed konden drinken in geval van voedselschaarste in de strijd. Elke ruiter had tussen de drie en twintig paarden, zodat hij onafgebroken kon rijden. Een ruiter kon met gemak boogschieten vanop zijn paard en zelfs slapen en eten. Vaak vergezelde het rondtrekkende leger een kudde van ongeveer 10 000 paarden, onderverdeeld volgens kleur, om duidelijk het onderscheid te kunnen maken. Zwakke paarden werden gedood om op te eten, maar paarden die zich in de strijd dapper hadden gedragen werden gerespecteerd. In geval van zware verwondingen met kreupelheid tot gevolg werden ze wel afgemaakt. Als het paard enorm geliefd was door zijn meester werd het bij diens dood zelf ook gedood, zodat paard en eigenaar zich zouden kunnen verenigen in het leven na de dood. De paarden kregen lichte zadels, gedecoreerd met zilver. Paarden van de zware cavalerie kregen zelfs harnassen, gemaakt van rundervel.
Abonneren op:
Posts (Atom)
