Hoe werkt de Rassenlijst?


Hoe werkt de Rassenlijst?

Ik heb een Rassenlijst gemaakt. Dit omdat vele paarden, pony, ezel en zebra rassen per land en zelfs per streek anders worden genoemd. Het is dus zo dat één ras vele verschillende 'namen' kan hebben. Dit schept soms verwarring. Daarom heb ik getracht een lijst te maken op alfabet.
Weet jij nog een verbetering of aanvulling voor de rassenlijst, dan hoor ik het natuurlijk graag van je!
Posts tonen met het label Belgisch Koudbloed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Belgisch Koudbloed. Alle posts tonen

zondag 22 maart 2009

Stamboek Belzen - Société Royale du Cheval de Trait Ardennais

Stamboek Belzen - Société Royale du Cheval de Trait Ardennais


HET ARDENNER TREKPAARD

Het sobere en rustieke paard van de Ardense hoogvlakten, eertijds gewaardeerd door Caesar en Nero, evolueerde vanaf de 8ste eeuw tot een nobeler type dank zij de inbreng van Arabisch bloed (reeds in 732 toen Karel Martel de Moren had overwonnen en opnieuw in de 11e-12e eeuw met de Kruistochten). Zowel Napoleon als de Hollandse bewindvoerders deden een beroep op de Ardenner paarden voor hun ruiterij. Het uithoudingsvermogen van deze paarden was dan ook spreekwoordelijk.

In het leger werden ze zowel als trekdieren gebruikt als onder het zadel. In de 17de eeuw reeds benutte de Franse maarschalk de Turenne ze voor de cavalerie. De Ardenner trekpaarden waren zo sterk, dat alleen zij de oorlog van Napoleon tegen Rusland overleefden. Nadien werden ze veel gebruikt voor het bosbeheer en de bosexploitatie in de Ardennen, voor het transport, voor de postkoets en in het leger om de kanonnen voort te trekken.

Het huis Mathieu in Bastenaken specialiseerde zich in de productie van het Ardenner trekpaard. Spirou, de parel van dit huis, werd in 1900 in Parijs internationaal kampioen van de lichte trekpaardenhengsten. Sedert 1926 werd het Ardenner Trekpaard een afzonderlijk stamboek, weg onder de vleugels van de Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard. Inmiddels was de Ardenner wel zwaarder van bouw geworden door kruisingen met kolossale hengsten uit Vlaanderen.


Thans wordt de Ardenner nog altijd ingezet om in bossen bomen weg te slepen. Jaarlijks worden een 200 veulens ingeschreven. In de provincies Luik, Luxemburg en Namen worden veulen-, merrie- en hengstenprijskampen georganiseerd. Tijdens het laatste weekeinde van juli is het Ardenner trekpaard de blikvanger numer één van de landbouwfoor van Libramont. 300 paarden nemen er dan deel aan de trekproeven en aan de menwedstrijden, die meer en meer in de belangstelling komen en uitermate gunstig werken om de fokkerij van de Ardenner te promoten.

Société Royale du Cheval de Trait Ardennais
Rue de la Gare 49
6900 Marloie
Tel.: 084/31.30.35
Fax: 084/31.65.00
Voorzitter: Dr. M. Ectors
Secretaris: M. Laurant

donderdag 19 maart 2009

Geschiedenis van het trekpaard in België

Geschiedenis van het trekpaard in België

Onze voorouders hebben doorheen de geschiedenis paarderassen gevormd die ook in het buitenland befaamd en gezocht waren. Reeds in de tijd van Julius Caesar fokten de Trevieren, een Belgische volksstam die het grondgebied van de huidige provincie Luxemburg bewoonde, het Ardense paard, een onvermoeibaar en zeer gehard dier.Ook in de Vlaamse zeevlakte werden sedert de Middeleeuwen en waarschijnlijk zelfs vroeger grote en sterke paarden gefokt met goede gang en vlugge draf. Zij waren de ideale paarden voor zwaar bepantserde en bewapende ridders die naar het steekspel of de oorlog gingen. Na de uitvinding van het buskruit was echter de rol van de gepantserde ruiterij op het slagveld uitgespeeld en de krijgsstrategie vereiste eerder snelle paarden.

Tijdens het grootste deel van de 18de eeuw werd ons land, op het Prinsbisdom Luik en het Hertogdom Bouillon na, bestuurd door de Oostenrijkse Habsburgers. De Oostenrijkse periode was een tijd van voorspoed. De landbouw ontwikkelde zich, de landbouwwerktuigen verbeterden en de vraag naar sterke werkpaarden nam toe. Er werden verkeerswegen aangelegd en kanalen gegraven. Het reizigersverkeer nam uitbreiding, met regelmatige en snelle postkoetsen. Er was dus vraag naar koetspaarden.. Al was de 18de eeuw voor ons land een betrekkelijk vreedzame periode - slechts drie veldslagen op ons grondgebied in een periode van 80 jaar -, in de rest van Europa was wel ergens een oorlog aan de gang, waarbij de Oostenrijkers betrokken waren. De cavalerie, met snelle paarden, speelde een belangrijke rol in die oorlogsvoering. Voor de artillerie en het vervoer van de veldhospitalen waren lichte trekpaarden nodig. De vraag naar paarden was dus groot. De boeren wensten zware trekpaarden soo tot het doen van de culture van de swaere ende stijve landen, als tot het waegenen van hun mest op deselve. De gewestelijke besturen hoopten dat er meer koetspaarden zouden gefokt worden. Het Oostenrijkse bestuur wilde lichte cavaleriepaarden voor de remonte van de Keizerlijke legers. Het Vlaamse paard was geschikt voor de landbouw, maar was te zwaar om voor een koets gespannen te worden, en zeker niet beweeglijk genoeg voor de oorlogsvoering. De overheid ging zich dus bemoeien met de paardenfokkerij. Zij richtte staatsstoeterijen in, die in feite niets meer dan hengstendepots waren, kocht vreemde warmbloedhengsten en verplichtte de paardenfokkers uitsluitend van deze hengsten gebruik te maken. De verordening Niemandt van dezen Lande sal sijne meirien laeten bedienen als van de voorseijde inxten werd in alle dorpen voorgelezen na de hoogmis aan de kerkdeur en op de stoep van het schepenhuis. Het protest van de fokkers barstte echter los. Zij beweerden dat de vreemde hengsten, onbequaem tot het bespringhen der meirien, een ware ramp betekenden voor de fokkerij. Wegens het hevige verzet werd de verordening ingetrokken. De Vlaamse boeren konden weer een tijd lang in alle rust hun geliefde zware paarden fokken. Het Vlaemsche paerd wordt overal in eere gehouden: zijne faem als werkpaerd is sints eeuwen alom verspreid.

In het midden van de 19de eeuw werden weer in vrijwel alle provincies van overheidswege kruisingsexperimenten aangemoedigd, nu met trekpaardhengsten van Franse oorsprong. Het gebied tussen de Dender en de Schelde in het zuidoosten van Oost-Vlaanderen was één van de weinige streken in Vlaanderen waar het Vlaams paarderas nog zuiver gefokt werd. De landbouw-afdeeling van Geeraerdsbergen verklaert zich voor de verbetering van onze landbouwpaerden door beste voortteelers in ons eigen ras te kiezen! De stamboom van de hengsten uit deze streek gaat terug tot den Oude Dikke van Wijnhuyze, geboren in 1835. Tussen de afstammelingen van deze hengst vinden we Gugusse-Orange I, geboren te Grimmingen in 1863. Alle huidige stamboektrekpaarden in ons land stammen af van deze merkwaardige Vlaamse hengst, althans volgens de officiële dokumenten. Vanaf 1870 begon ook de overheid in te zien dat kruising met vreemde rassen uit den boze is. De fokkerij geraakte eindelijk op de goede weg. Het basisprincipe was selektie binnen het ras, en weloverwogen inteelt was hierbij een belangrijke techniek.

Ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in 1878 in Parijs werd een internationale paardententoonstelling gehouden. Aan de in Henegouwen geboren hengst Brillant, zoon van de vermelde Gugusse-Orange I, werd de eerste prijs toegekend. De volgende jaren behaalde dit paard nog eerste prijzen in Londen, Brussel, Hannover en Amsterdam. Aangemoedigd door de talrijke internationale successen beslisten een aantal paardenliefhebbers in 1886 de vereniging Le Cheval de trait Belge op te richten, met als doelstellingen:

- uit de trekpaardvariëteiten die in ons land aanwezig waren, een uniform ras van hoge kwaliteit te fokken, Belgisch trekpaarderas genoemd.

- een studboek uit te geven, waarin de afstamming van de trekpaarden genoteerd wordt.

- jaarlijks een nationale prijskamp te organiseren om de fokkerij te stimuleren.

Het uniforme ras, waarnaar gestreefd werd, werd vrij snel gevormd door vermenging van de paarden uit de Denderstreek met die uit de streek van Nijvel en uit het dal van de Méhaigne, een zijriviertje van de Maas, twee fokgebieden die ook al jarenlang bekend waren om de kwaliteit van hun paarden. Het verspreidde zich over gans België, met uitzondering van de provincie Luxemburg, waar nog het Ardenner trekpaard gefokt werd. Vooral in de provincies Brabant en Henegouwen werd de fokkerij zeer intens bedreven, vandaar dat dikwijls ten onrechte de benaming Brabants trekpaard gebruikt wordt.

In 1900 werd, weer in Parijs, een trekpaardenwedstrijd gehouden, met een uitzonderlijke internationale weerklank. In feite ging daar beslist worden welke het beste trekpaarderas van de ganse wereld was, het Belgische of één van de Franse rassen. Zowel in de reeks van de hengsten als in die van de merries won een Belgisch paard. De ontgoocheling van de Franse fokkers was groot maar ons trekpaard werd wereldberoemd. Juist voor de eerste wereldoorlog werden tot 35.000 trekpaarden per jaar uitgevoerd naar Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Canada, Argentinië, Rusland, Italië, Zweden, Denemarken en Nederland..

De nationale trekpaardenprijskamp was elk jaar een schitterende gebeurtenis, waarop de koning, de koninklijke familie en vertegenwoordigers van buitenlandse koningshuizen aanwezig waren.. In populaire weekbladen was dit evenement voorpaginanieuws. Voor uitstekende hengsten werden toen forse bedragen geboden. Espoir de Quaregnon, de nationale hengstkampioen van 1929, werd verkocht voor 1 miljoen frank, een enorme som in die tijd.

Van 1920 af werd voor het vervoer op de weg het trekpaard vervangen door vrachtwagens. Van 1950 af werd ook in de landbouw mechanische traktie algemeen toegepast. In de bosontginning heeft het trekpaard nog steeds een rol, vooral in de moeilijk toegankelijke bossen. Toch is de fokkerij nu grotendeels een liefhebberij geworden. Het aantal goedgekeurde fokhengsten, dat in 1961 nog 428 bedroeg, is nu gedaald tot 75. Het aantal in het stamboek geregistreerde veulens bereikte met 450 een minimum in 1988. Sinds 1989 is er een heropleving van de fokkerij, mede door het feit dat de Vlaamse gemeenschap een premie van 5000 F. uitbetaalt per ingeschreven veulen..

Levende monumenten in stand houden vraagt een voortdurende inzet en motivatie. Het is te hopen dat er nog jarenlang mensen met entoesiasme deze inspanning kunnen opbrengen.

R.Piessens

BRABANDER

BRABANDER

De Brabander, ook wel Belgisch trekpaard genoemd, stamt af van het Woudpaard en wordt voornamelijk gefokt in Brabant. Daar dankt hij dan ook zijn naam aan. Het paard is één van de belangrijkste rassen ter wereld en heeft een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het paard.

Wat opvalt aan de Brabander is dat hij een enorme kracht in de rug en lendenen heeft en er bovendien dik en compact uitziet. Zijn gangen zijn praktisch en zijn stokmaat varieert van 1.65 cm tot 1.70 cm

BELGISCH TREKPAARD

BELGISCH TREKPAARD

De geschiedenis

Het Belgisch Trekpaard werd al gewaardeerd door Ceasar en Nero. Vanaf de 8e eeuw werd er Arabisch bloed in gefokt om het ras wat nobeler te maken.

Het Belgisch Trekpaard was een echt oorlogspaard, ze werden als trekpaard maar ook onder het zadel gebruikt. Ze waren zo sterk, dat ze de enige overlevenden waren in de oorlog van Napoleon tegen Rusland.Eind 19e eeuw werden ze voornamelijk in de landbouw, bosexploitatie, transport en voor de postkoets gebruikt. Heel wat werkpaardenrassen over de hele wereld voeren het bloed van het Belgisch Trekpaard. De beroemdste Belgen zijn de blonde vospaarden van Palmbier.Rasomschrijving

Schofthoogte tot 1.70 m., gewicht gemiddeld rond de 1000 kilo. Het hoofd is groot in verhouding tot het lichaam. Het lichaam is harmonisch van lijn en stevig, diep en breed.

Kleuren

Het Belgisch Trekpaard kent veel verschilende kleurvarianten.

* Bruin
* Zwart
* Vos
* Appelschimmel
* Bruinschimmel
* Blauw (zwart) schimmel
* Vosschimmel

De laatste drie schimmels zijn onveranderlijke schimmels en worden dus niet helemaal wit.

Belzen - Vlaamse paarden maaien natuurvriendelijk

Belzen - Vlaamse paarden maaien natuurvriendelijk


Vlaamse paarden maaien natuurvriendelijk

Natuurpunt heeft Hans Renders en zijn paarden ingeschakeld voor het maaien van het Zomerklokjesreservaat. ¨Maaien met paarden is uniek en natuurlijkvriendelijk¨ , verklaart voorzitter Marc Vermylen.

¨De paarden, die meters voor de maaibalk stappen, waarschuwen kleine dieren en amfibieën dat er gevaar op komst is. De dieren kunnen daardoor op tijd vluchten, daar waar ze bij het gebruik van een cirkelmaaier vaak worden vermorzeld. Bovendien wordt de bodem minder beschadigd dan met het gebruik van tractoren¨.

Hans Renders schakelt voor het werk Vlaamse trekpaarden in. ¨Sinds mensenheugenis werd op de vruchtbare gronden van de lage landen een uitzonderlijk trekpaard gekweekt. Wegens zijn vele kwaliteiten werd deze Flander mettertijd ook een uitverkoren strijdros¨, verklaart Renders. ¨In de 18de eeuw ontstond in Amerika een massale vraag naar Belgische Koudbloeden. Als exportproduct heeft de Flander een ijzersterke reputatie opgebouwd. Onder meer de Amish hebben tot nu de raszuiverheid van het paard behouden. Vanaf 1993 werd de Flander, in Amerika Belgian genoemd, terug naar Vlaanderen gebracht. Vandaag worden de paarden opnieuw gebruikt voor natuurbeheer, kleinschalige landbouw en bosbouw.¨

¨Sinds enkele jaren is de oppervlakte van onze natuurreservaten alsmaar blijven groeien. Vroeger werd het werk alleen gedaan door onze terreinploegen maar nu moeten we hulp inroepen¨, besluit Vermylen. ¨We hopen alleen dat onze vereniging de kosten van de loonwerkers kan blijven dragen¨.

Bron: hetvolk.be DN redactie
DN 23/07/2003

Belgisch Koudbloed (Brabander):

Belgisch Koudbloed (Brabander):

Het Belgische zware trekpaard of Brabander is al vele eeuwen selectief gefokt. Zijn bloed heeft meegeholpen bij het tot stand komen van andere trekpaardrassen waaronder de Shire. De brabander heeft een stokmaat van 160 tot 170 cm. Het is een zwaar, sterk paard met een enorme trekkracht en toch erg gewillig. Het hoofd is betrekkelijk klein, goed van model, op een gebogen hals. Het lichaam is masief, met korte benen. De brabander heeft veel behang. Het is een handelbare actieve werker met een buitengewoon goede gang en een gezonde constitutie.

Belgische zware trekpaard

Belgische zware trekpaard

Het Belgische zware trekpaard is een koudbloedpaard afkomstig uit Belgisch Brabant. Vanwege de streek van herkomst wordt dit ras ook wel Brabander genoemd. Tegenover de Vlaamse naam staat uiteraard ook een Waalse: Race de trait Belge.

De Ardenner, de Ardennais, de Auxois (een Bourgondisch paard) en het Belgische zware trekpaard hebben waarschijnlijk gemeenschappelijke voorouders gehad. Mogelijk zijn zij ook met elkaar gekruist. Het is ook mogelijk dat het ras uit een kruising tussen één van de andere rassen en het Vlaamse paard is ontstaan. Men gaat er vanuit dat de Belg het meest overeenkomt met de paarden die door Julius Caesar in zijn boek "De bello Gallico" werden beschreven.

Een krachtig trekpaard

Dit paard zou mogelijk het dichtst staan bij de voorouder van de Europese zware paardenrassen, het Woudpaard of Oude bospaard. Dit paardenras is waarschijnlijk het paard dat in de Middeleeuwen gebruikt werd als oorlogspaard voor geharnaste ridders. Voor dit ras gebruikt men ook wel de naam Grote paard. Door het fokken met verschillende rassen ontstonden nog twee andere rassen: de al eerder genoemde Ardenner en de Ardennais.

Bij het fokken van het Belgisch trekpaard werden geen buitenlandse rassen gebruikt. De eigenschappen zijn uitsluitend via Belgische paarden verkregen, waarbij af en toe inteelt werd toegepast om bijzondere kenmerken sterker tot uitdrukking te laten komen. Dankzij zijn kracht kan het dier uitstekend als trekpaard worden gebruikt. Bij het fokken hield men terdege rekening met de specifieke eisen die aan een trekpaard in de landbouw werden gesteld. Het Belgisch trekpaard is één van de voorouders van het Engelse grote paard, de Shire en één van de stamvaders van de Clydesdale. Bovendien leverde hij een bijdrage aan de Suffolk Punch en het Ierse trekpaard. In tegenstelling tot België en Engeland, waar de interesse sterk is teruggelopen, bestaat in Amerika grote belangstelling voor dit paardenras.

Een krachtig trekpaard

De Brabander heeft door zijn grootte (de hoogte ligt tussen de 1,65 en 1,75 m.) een imponerend voorkomen. Het is een zwaar paard met een compacte romp en een groot frame. De korte rug heeft een diepe koffer. De dikke en sterke schoft en de schouders gaan over in een korte en sterke hals. Deze combinatie van schoft, schouders en hals bieden de garantie voor een sterk paard. De achterhand straalt kracht uit en is sterk afgerond. Het kruis vertoont extra zware spieren, ook wel 'dubbel gespierd' genoemd. Het hoofd is in vergelijking met het lichaam klein en maakt door de vierkante vorm een grove indruk. De krachtige benen van het Belgisch trekpaard zijn kort en voorzien van sokken en korte hoeven. Ondanks het massieve beeld wordt het Belgisch trekpaard als een mooi paard gezien.


Bij de kleuren van het Belgisch trekpaard wordt onderscheid gemaakt in drie bloedlijnen. Men treft in hoofdzaak de kleuren vos, roodbruin en roodschimmel aan. Deze laatste kleurvariëteit heeft tevens zwarte manen, een zwarte neus, zwarte hoeven en een zwarte staart. Verder komen de kleuren vaal, licht- en donkerbruin voor. Met name bij de voskleurige trekpaarden is de vacht stekelharig. Voor een deel staan de kleuren in relatie tot de drie verschillende bloedlijnen. Het hoofd van dit trekpaard heeft een vriendelijke uitdrukking en maakt een intelligente indruk. Het paard heeft gewoonlijk een rustig, goedmoedig karakter en is zeer betrouwbaar en gewillig. Tevens is het trekpaard moedig en levendig.

Belgisch Trekpaard - kleuren

Belgisch Trekpaard - kleuren


Voor de haarkleur bij trekpaarden zijn er drie basiskleuren :

bruin - zwart - vos

Een bruin trekpaard heeft zwarte manen, staart en benen.
Een vos trekpaard heeft lichtgekleurde manen, staart en benen.

Daarenboven komen er ook erfelijke factoren voor die de drie basiskleuren een ander uitzicht kunnen geven. Zo bestaat er de onveranderlijke schimmelfactor die na de eerste verharing van het veulen, witte haren doet groeien tussen de haren van de basiskleur. Men spreekt dan van :

bruinschimmel - zwartschimmel - vosschimmel

Zwartschimmel wordt in België meestal blauwschimmel genoemd.

'Onveranderlijk' betekent dat het aantal witte haren met de ouderdom niet merkbaar toeneemt. Er kan wel een verschil zijn tussen het zomer- en het winterhaarkleed. Er bestaat ook een veranderlijke schimmelfactor die met het ouder worden van het paard, steeds meer witte haren doet groeien.
Men spreekt dan van :

bruin-veranderlijk-schimmel
zwart-veranderlijk-schimmel
vos-veranderlijk-schimmel

Het paard wordt dan uiteindelijk lichtgrijs tot helemaal wit, zodat de basiskleur niet meer te onderscheiden is. Het lichter worden gebeurt meestal niet gelijkmatig, maar wel in lichtere en minder lichte vlekken. We noemen dat de appelschimmelkleur. Veranderlijk schimmel is bij trekpaarden wel aanwezig, maar zeer zeldzaam. Onveranderlijk schimmel is bij trekpaarden frequent aanwezig.

Belzen - Belgische trekpaarden

Belzen - Belgische trekpaarden


Beroemd in de hele wereld
Het Belgisch trekpaard wordt ook wel Brabander genoemd. Maar Brabander of Brabants trekpaard is geen erkende naam. Een aparte soort is wel het Ardenner trekpaard. Dat is ook een stevig paard.
Maar het is kleiner dan het Belgisch trekpaard. In 1886 werd het Belgisch trekpaard als aparte soort bekend. Het werd gekweekt uit paarden uit verschillende streken van België. Die heetten de 'Dikke van de Dender', de 'Grijze van Nijvel' en de 'Kolos van de Méhaigne'.

De Belgische trekpaarden werden snel beroemd in de hele wereld.
Overal wilde men deze sterke werkpaarden hebben. In 1910 werden 35.000 dieren verkocht in Amerika, Canada, Rusland, Zweden en nog veel andere landen. Voor goede hengsten werd zeer veel geld gegeven.
In 1930 betaalde een Italiaanse fokker 1 miljoen frank voor een beroemde Waalse hengst. Een merrie laten dekken door die hengst kostte 10.000 frank. Dat was een fortuin in die tijd.

In de landbouw trokken de trekpaarden zware en logge werktuigen. Maar ze waren niet enkel nuttig voor de boeren. De paarden werden ook in de mijnen gebruikt. Ze gingen de mijn in als ze 3 of 4 jaar oud waren. Daarna zagen ze het daglicht niet meer. De meeste paarden werden blind of kregen stoflongen.

In de haven werden de paarden gebruikt om vrachten te vervoeren. Daar werden ze natie-paarden genoemd. In oude gebouwen in de Antwerpse haven staan nog stallen voor paarden. De paarden hadden nog meer met
scheepvaart te maken. Ze trokken de schepen in kanalen en rivieren.
Langs de meeste kanalen ligt nog steeds een 'jaagpad'. Dat was het pad voor de paarden. Meestal is het nu een fietspad.

Nu worden de Belgische trekpaarden alleen nog in de bosbouw gebruikt.
Ze slepen gekapte bomen uit de bossen. De paarden kunnen tot midden in het bos komen. Daar kunnen moderne machines niet geraken. De paarden maken ook veel minder planten kapot dan machines.

Maar de trekpaarden moeten ook kijkers lokken. Ze worden gebruikt in optochten. Op veel plaatsen kunnen toeristen tochten maken met een kar getrokken door trekpaarden. Sommige mensen houden zich bezig met de trekpaarden als hobby. Voor hen zijn de trekpaarden geen werkpaarden.

Nu zijn er 15.000 Belgische trekpaarden in België. Tien jaar geleden waren het er maar 6.000. Er worden opnieuw meer veulens geboren. Het zijn er ongeveer 1.000 per jaar. In 1950 waren er nog 200.000 trekpaarden in België. In China leven er nu nog 27.000 Belgische trekpaarden.

(Wablieft - 1999)

Belgische Ardenner Trekpaarden

Belgische Ardenner Trekpaarden

Oorsprong:
Het sobere en rustieke paard van de Ardense hoogvlakten, eertijds gewaardeerd door Caesar en Nero, evolueerde vanaf de 8ste eeuw tot een nobeler type dank zij de inbreng van Arabisch bloed.

Bij de invallen van de Galliërs werd het Ardenner trekpaard in het Romeinse leger ingezet. In de 17de eeuw benutte de Franse maarschalk de Turenne ze voor de cavalerie. In de 19de eeuw deden zowel Napoleon als de Hollandse bewindvoerders beroep op de Ardenner paarden voor hun ruiterij en om de kanonnen te trekken. In het leger werden ze dus zowel als trekdieren gebruikt als onder het zadel. De Ardenner trekpaarden waren zo sterk, dat alleen zij de oorlog van Napoleon tegen Rusland overleefden.

In 1841 werd te Neufchâteau de eerste 'Vereniging voor de Aanmoediging van de Fokkerij van het Ardenner Paard' opgericht. Van toen af gebeurde de selectie van de paarden onder deskundig toezicht en er ontstond een bloeiende fokkerij. Op het einde van de 19de eeuw werd de morfologie van het paard aangepast aan de vereisten van de landbouw, de bosexploitatie, het transport en de postkoets.

Het huis Mathieu in Bastogne specialiseerde zich in de fokkerij van het Ardenner trekpaard. Spirou, de parel van dit huis, werd in 1900 in Parijs internationaal kampioen van de lichte trekpaardenhengsten.

Sedert 1926 werd het Ardenner trekpaard een afzonderlijk stamboek, onafhankelijk van de Koninklijke Maatschappij het Belgisch Trekpaard. Inmiddels was de Ardenner wel zwaarder van bouw geworden door kruisingen met grote hengsten uit Vlaanderen.

Kenmerken :
Het Ardenner trekpaard is harmonisch van lijn en stevig, diep, breed, sterk gespierd en kort. Het hoofd, klein met breed en plat voorhoofd, met korte, kleine en rechtstaande oren. De hengsten mogen maximum 1m62 en de merrie 1m60 groot zijn. De allures zijn energiek en soepel.

Gebruik :
De Ardennen en de Famenne, de bakermat van het ras, bieden een waaier aan toeristische attracties.
Het Ardenner trekpaard speelt hierop in. De fokkers zoeken terug naar de legendarische kwaliteiten van het Ardenner trekpaard als artillerie- en koetspaard. Er loopt een specifiek selectieprogramma waarbij Arabisch bloed aan de Ardenner wordt toegevoegd zodat het beter geschikt zou zijn voor zijn nieuwe toekomst.

Jaarlijks worden een 200 veulens ingeschreven. Tijdens het laatste weekeinde van juli is het Ardenner trekpaard de blikvanger van de landbouwbeurs van Libramont. 300 paarden nemen er deel aan trekproeven en menwedstrijden, die meer en meer in de belangstelling komen en de fokkerij van het Ardenner trekpaard promoten.

Volgers