Geschiedenis van het Przewalski-paard
In deze aflevering van onze reeks over het Przewalski-paard bekijken we hoe de verschillende dierentuinen en privéparken er in slaagden om met deze diersoort te fokken. Uit het gegeven dat er maar vijf, te weten New York, Cincinnati, Woburn, Halle en Askania Nova enige generaties afstammelingen van oorspronkelijk uit het wild ingevoerde dieren wisten voort te brengen, blijkt dat het fokken van Przewalski-paarden in gevangenschap niet gemakkelijk is. De beperkte fokkansen leidden er toe dat van de populatie Przewalski-paarden, die rond de eeuwwisseling uit het wild gevangen zijn, slechts elf daarvan nog hun sporen nalaten in de genen van de huidige populatie. Gelukkig werd er in een latere periode nog een merrieveulen gevangen, die in 1957 in Askania Nova voor nageslacht zorgde.
Wat de fokgeschiedenis van Przewalski-paarden in gevangenschap aangaat onderscheiden we vier afzonderlijke perioden:
1899 - 1935
1935 - 1968
1968 - 1979
1979 - tot heden
Inhoud
De Eerste Periode (1899-1935)
De eerste fokpogingen, meestal met paren, van de afzonderlijk van elkaar opererende dierentuinen waren weinig succesvol. Gedurende gehele eerste periode bleef het totale aantal dieren in gevangenschap beperkt tot tussen de twintig tot dertig exemplaren, verspreid over zo'n twaalf tot vijftien dierentuinen en particuliere parken.
Tot 1935 - 1940 was het fokbeleid in Askania Nova, Woburn, Halle en Noord-Amerika zo dat men alleen de dieren uit het eigen bezit gebruikte. Deze eenzijdigheid maakte het onmogelijk om de zogenaamde founder-basis van de verschillende afstammingsgroepen te verbreden. Alleen in de Verenigde Staten was een uitwisseling tussen New York Zoo en Cincinnati Zoo op gang gekomen.
In Berlijn, Edinburgh en Moskou boekte men in het geheel geen resultaat, terwijl Parijs en het Nederlandse Gooilust aanvankelijk in gevangenschap wel een eerste generatie kon fokken. Deze eerste generaties bracht echter zelf geen nageslacht voort. Dit heeft tot gevolg dat in deze eerste periode er nog slechts elf van invloed zijn op de huidige populatie Przewalski-paarden in gevangenschap. Een bijkomende ongelukkige omstandigheid is dat men in 1906 in Halle een "stiefmoeder", een van de Mongoolse pony's die de veulens op weg naar Europa zoogden, in de fokkerij heeft gebruikt. Als we dit dier meetellen komt het aantal founders op twaalf dieren.
Inhoud
Askania Nova
Negen van de wild gevangen Przewalski-paarden gingen naar dit privé-park in de Oekraïne: acht merries en een hengst. Nadat Nicolaas II zijn hengst aan von Falz-Fein had geschonken veulenden slecht twee merries. Een merrie bracht acht veulens ter wereld, de andere drie. De hengst dekte ook nog eens zijn eigen nageslacht. Gedurende de volgende generaties bleven merries bevrucht worden door nauw verwante hengsten met als gevolg een hoge inteelt. Voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog, werden er in Askania Nova 32 Przewalski-veulens geboren. Von Falz-Fein experimenteerde ook met het kruisen van enerzijds huispaarden en zebra's en anderzijds Przewalski-paarden. In 1918 vluchtte hij voor de Bolsjewieken naar Berlijn, waar hij twee jaar later zou overlijden. Het gehele gebied, bestaande uit een steppegebied van 100.000 ha., een 2.600 hectare groot reservaat en een menagerie viel in handen van de staat.
In 1925 en 1927 kocht de dierenhandelaar Ruhe respectievelijk twee hengsten en een merrie van Askania Nova. De merrie en een van de hengsten werden doorverkocht aan de dierentuin van Berlijn. Uit dit paar werden drie hengst- en een even groot aantal merrieveulens geboren. In 1937 kocht de dierentuin van Warschau een hengst en een merrie, maar deze kregen geen veulens. Afzonderlijke hengsten vonden hun weg naar Moskou en Leningrad. In de Tweede Wereldoorlog zijn er een stel naar Duitsland gezonden, maar die zijn naar men aanneemt gedurende het transport bij een luchtaanval omgekomen. Overigens stierven in de loop van de Oorlog ook alle, in Askania Nova achtergebleven, Przewalski-paarden. Het nageslacht van het in 1927 in Berlijn aangekomen paar verging het niet veel beter. Rijksmaarschalk Hermann Göring was een fervent jager en vatte het plan op om in Schorfheide een reusachtig groot reservaat op te zetten. Hier in Mark Brandenburg zouden alle diersoorten, die eens in het Groot Germaanse Rijk "voorkwamen", bijeengebracht worden. Vanzelfsprekend moest ook het oerpaard vertegenwoordigd zijn. Hevige geallieerde brandbomaanvallen op het gebied maakten in 1943 een einde aan deze perfide "Arche Noachs". Alle Przewalski-paarden kwamen om het leven. Slechts een merrie, Ella, die via Berlijn een rechtstreekse afstammeling was van de Askania Nova-lijn overleefde de Oorlog. In de Tweede Periode werd zij een van de fokmerries in München. Het authentieke bloed van Askania bleef door haar behouden.
Inhoud
De Verenigde Staten
Op de voorlaatste dag van het jaar 1902 arriveerden er twee Przewalski-paarden in de Bronx Zoo in New York. Hagenbeck had hen geruild voor vier Noordamerikaanse bizons. De hengst verkeerde in goede conditie, maar de merrie kon nauwelijks op haar benen staan. In die dagen wist men eigenlijk niet wat men met deze nieuwe dieren moest aanvangen; er werd geprobeerd om ze rijklaar te maken of om ze voor een wagen te spannen, maar na herhaaldelijke pogingen bleek dat de Przewalski-paarden zich steeds hardnekkiger tegen hun kwelgeesten gingen verzetten. Alhoewel de merrie in het voorjaar van 1903 was opgeknapt, eiste de staf van Bronx Zoo dat Hagenbeck dit paar terugnam en hen een nieuw stel leverde. Hagenbeck bracht het paar onder in Cincinnati Zoo, dat zo ongeveer zijn "opslagplaats" in Amerika was. De directeur van Cincinnati Zoo was Hagenbecks vertegenwoordiger in Noord-Amerika. In 1912 werd er uit dit paar een hengstveulen geboren.
Pas tegen het einde van het jaar 1905 ontving New York het vervangende paar. Dit paar bracht zes veulens ter wereld en door ook nog onderling te fokken wist New York zich op te werken tot eigenaar van een respectabele fokgroep.
Het door Erna Mohr in 1959 gepubliceerde stamboek vermeldt dat er tot en met 1905 in totaal vier Przewalski-paarden in de Verenigde Staten zijn aangekomen. In werkelijkheid waren het er zes, want een zekere Mr Davenport, die een van de eerste stallen Arabische volbloeden in Amerika bezat, voerde rechtstreeks twee Przewalski-paarden in. Of deze dieren ooit in de Verenigde Staten zijn aangekomen en van welk door Hagenbeck georganiseerd transport ze afstammen zal hoogstwaarschijnlijk nooit duidelijk worden. Ook is er niets bekend over eventuele nakomelingen.
Sinds 1914 brachten aan New York en Cincinnati verwante dieren in Philadelphia met succes nakomelingen voort. Afstammelingen van de Przewalski-paarden in Philadelphia, New York en Washington D.C. (van Philadelphia's fokgroep) kwamen in Australië en Europa terecht.
In 1916-1917 verkocht de Bronx Zoo een hengst en twee merries aan de dierentuin van Sidney. Een van de merries veulende twee keer. De hengst verwekte drie veulens bij zijn dochters: het einde van de fokkerij in Sidney.
Een van de in Sidney verwekte veulens werd in 1932 door Carl Hagenbeck voor zijn dierentuin in Hamburg aangekocht. In 1942 verkocht hij haar door aan de Menagerie in Parijs. Een andere merrie uit Sidney belandde in 1935 in Hellabrunn, de dierentuin van München.
Rond 1924 vond de directeur van de Bronx Zoo dat de inteelt in zijn fokgroep dermate hoog was opgelopen dat hij overwoog om uit Philadelphia een nakomeling te kopen van een hengst uit Cincinnati, die afstamde van een uit eerder door zijn eigen dierentuin aan Philadelphia verkochte merrie. Toen deze nazaat, een hengst in New York was aangekomen besloot de directeur dit dier niet voor de fok te gebruiken omdat het een witte voorvoet had en een bles. Vanaf dat moment werd er in de Bronx Zoo niet meer gefokt.
Ongelukkigerwijs bleven er in de gehele Verenigde Staten slechts een paar dieren afstammend van eerdere geslaagde fok over. Zo geschiedde het dat bij de dood van de merrie 119 Philadelphia 6 in 1959 de gehele fokkerij in de Verenigde Staten tot een einde kwam. Hun invloed zette zich echter via hun nageslacht in Europa voort.
In totaal heeft de V.S.-lijn 29 veulens geproduceerd. Het laatste werd in 1937 geboren. De lijn eindigde in de jaren vijftig. Een hengst uit Washington bracht in Praag nakomelingen voort en twee merries uit Washington en Sidney werden de fokmerries in München. Een hengst uit Sidney werd vader van een veulen in Parijs. Helaas was aan het einde van deze periode de inteelt in deze lijn hoog opgelopen.
Inhoud
Halle
In Przewalski Paard nr. 65 schreven we dat van het eerste door Carl Hagenbeck georganiseerde transport ook een paar Przewalski-paarden naar Halle ging. Halle was geen dierentuin, maar de zoölogische afdeling van het landbouwkundig instituut van de Universiteit van Halle in Duitsland. De onderzoeker J. Kühn wilde, weten of het Przewalski-paard wel een echt afzonderlijke soort was. Ook onderzocht hij hoe de verwantschap met de huispaarden precies in elkaar zat. Het paar Przewalski-paarden in Halle kreeg drie veulens. Kühn liet een Przewalski-paard met een huispaard kruisen, wat resulteerde in een aantal bastaarden. Bovendien bracht hij een Przewalski-hengst samen met een van huispaardmerries, die tijdens het transport vanuit Mongolië als pleegmoeder voor de nieuw gevangen veulens had gediend. Uit deze combinatie werd slechts een enkel hengstveulen geboren. Nadat in 1908 de Przewalski-hengst dood ging, werden de vier overgebleven Przewalski-merries gedekt door deze bastaard-Przewalski. Hij was de vader van zes "pure" Przewalski-veulens en van drie veulens van "gemengd bloed", verwekt bij zijn eigen bastaard-dochters. Slechts twee van deze negen veulens brachten nakomelingen voort. Het waren de hengst Ali (62 Halle 5) en de merrie Minka (65 Halle 8); hun moeders waren honderd procent Przewalski-paarden, zodat als men de invloed van de vader meerekent deze dieren nog een kwart Mongools huispaardenbloed in zich hadden.
In 1932 werden ze via het onderzoeksinsituut van de Landbouwhogeschool in Praag overgebracht naar de juist geopende dierentuin van Praag, waar men de Halle-foklijn continueerde. Daar werden vijf veulens geboren, twee ervan stierven op jonge leeftijd. Van de resterende drie gingen er twee naar München, maar vanwege hun "onzuivere" bloed werden ze niet in het fokprogramma opgenomen. De merrie HeluÓ bleef in Praag waar zij evenals haar moeder gedekt werd door een Przewalski-hengst uit de Verenigde Staten. In 1928 overleed het laatste Przewalski-paard in Halle. In totaal bracht Halle achttien veulens voort. Zoals u wellicht begrepen zult hebben was in deze foklijn de inteelt aanzienlijk toegenomen. Het invoeren van de Mongoolse pony in de Przewalski-fokgroep doet ook nu nog menig wenkbrauw fronsen.
Inhoud
Woburn
Carl Hagenbeck verkocht vijf hengst- en zeven merrieveulens aan de hertog van Bedford, Herbrand. In 1901 kwamen deze dieren samen met een hengst en een merrie, die bestemd waren voor de door de hertog voorgezeten London Zoological Society, aan op het landgoed Woburn Abbey. Door de nauwe betrekkingen tussen Londen en Woburn, gebeurde het dat tussen beide plaatsen regelmatig Przewalski-paarden werden uitgewisseld. Een brand vernietigde een groot deel van de archieven in Woburn, zodat er weinig bekend is over de rol die deze lijn in de eerste periode van de fokgeschiedenis van Przewalski-paarden in gevangenschap speelde. Voor zover men heeft kunnen nagaan zijn er in deze lijn vierentwintig veulens geboren. Na het begin van de jaren twintig verhuisden de meeste van hen naar de Londense dierentuin en later naar de pas gereedgekomen buitenafdeling van de Zoo, Whipsnade Park. Deze lijn was wat het voortbrengen van nakomelingen niet bijster succesvol. Alleen de hengst Neville (182 London 6) doet zich nog gelden als representant van de Britse lijn in de tegenwoordige populatie Przewalski-paarden. In 1938 werd hij verkocht aan Hellabrunn in München. Neville volgde er Pascha (187 Askania A) op, die in hetzelfde jaar naar Berlijn was overgebracht. Maar hier lopen we al vooruit op de volgende periode.
Er was van de eerste periode slechts een zeer beperkt aantal Przewalski-paarden geschikt voor de fok in de tweede periode. Niet meer dan drie hengsten en vijf merries zouden nog voor nakomelingen zorgen. Askania Nova, Halle, Engeland en de Verenigde Staten konden hun positie als fokstation niet meer waar maken.
Inhoud
De Tweede Periode (1935-1968)
Gelukkig kwam er in de tweede periode een belangrijke omslag in het tot dan toe gevoerde fokbeleid. Er ontstond een uitwisseling van Przewalski-paarden tussen de verschillende dierentuinen. In München verwelkomde men een merrie uit Washington en een Woburn-hengst. Men stelde een kudde samen, bestaande uit dieren afkomstig van drie verschillende fokcentra en met merries, die nog bloed in zich hadden van de oorspronkelijke stamouders in Askania Nova. Praag schafte een onverwante hengst uit de Verenigde Staten aan. De hengst, 225 Sidney 4, die afstamde van de vroegste Noordamerikaanse lijn, verwekte op hoge leeftijd nog een hengstveulen bij een Praagse merrie. Al deze uitwisselingen stimuleerden de fokkerij. Het aantal Przewalski-paarden nam weer toe. Helaas zorgde de Tweede Wereldoorlog voor enige zwarte bladzijden in de geschiedenis van het Przewalski-paard in gevangenschap. Slechts eenendertig Przewalski-paarden overleefden deze veel verzengende wereldbrand. Het eerste vredesjaar 1945 wint aan belangrijkheid als men zich realiseert dat toentertijd slechts een aantal van negen Przewalski-paarden (drie hengsten en zes merries) voor nageslacht zorgden, dat in aanmerking kwam voor verspreiding van de soort in gevangenschap,.
Het zou tien jaar duren eer men de klap te boven was. Dankzij de fokkerij in zowel München als Praag kon nu de rampzalige nasleep van de Tweede Wereldoorlog overwonnen worden. In 1955 bereikte men weer het vooroorlogse niveau. De onverwante Przewalski-paarden, die respectievelijk in 1934, 1937 en 1938 in München en Praag ingevoerd waren, brachten nakomelingen met een laag inteeltcoëfficiënt voort.
Een dezer nakomelingen, de hengst Uran (76 Praha 9) werd de fokhengst in Praag. Hij was erg vruchtbaar en verwekte vijfendertig veulens bij zijn halfzusters, zusters en enige keren ook bij zijn eigen dochters.
In München werd eerst Neville (182 London 6) ingezet als fokhengst, hij werd vader van negentien veulens. Een zoon van hem Severin (150 Hellabrunn 23) volgde hem in München op om na 1956 de fokhengst van Przewalski-groep op de Catskill Game Farm in de staat New York te worden. Evenals zijn vader Neville was hij begenadigd met een enorme viriliteit: in totaal zevendertig nakomelingen, zowel in zijn Münchense als in zijn Amerikaanse periode.
In 1965 was het aantal Przewalski-paarden in gevangenschap toegenomen tot 134: een stijging van 84% in vijf jaar tijd. Ze werden in 32 dierentuinen en privé-parken gehouden. Dikwijls als paar of in kleine groepen.
Sommige in de jaren vijftig ontstane ontwikkelingen hebben langdurig effect gehad op de fokkerij van Przewalski-paarden in gevangenschap. Een van die ontwikkelingen was de controverse, die er ontstaan was tussen enerzijds Praag en anderzijds München.
Zoals al eerder vermeld is werden er na het jaar 1932 twee uit de Halle-Praag-lijn stammende merries in Hellabrunn gehouden. Hun nakomelingen werden gedekt door Neville, en diens zonen Severin en Sidor (154 Hellabrunn 27). Deze nakomelingen voerden alle wat bloed van de in Halle ingezette huispaardpleegmoeder. De directeur van Hellabrunn, de heer Heinz Heck, kantte zich fel tegen de inzet van onzuivere Przewalski-paarden in de door hem beheerde fokgroep. Zodoende liet men in München tussen 1951 en 1955 een aantal Przewalski-paarden voortijdig inslapen. In het voor de fokkerij kritieke jaar 1951 met een wereldpopulatie van slechts vijfendertig exemplaren euthaniseerde München twee Przewalski-paarden, in 1953 nog eens twee (wereldpopulatie zevenendertig) en tot slot vier in 1955 toen de totale populatie in gevangenschap levende Przewalski-paarden uit eenenveertig dieren bestond. Door deze rigoureuze selectie verminderde de invloed van drie stamouders aanzienlijk.
Het vernietigen van dit materiaal zorgde voor hevige tegenstellingen tussen de verschillende fokkers. Het gebeurde in een tijd waarin zowel het beperkte reservoir aan vruchtbare Przewalski-paarden in gevangenschap als het dalende aantal in het wild levende dieren grote zorg baarden. Heck was ook voorstander van selectie op grond van een geïdealiseerd prototype. Er ontstond een heftige discussie over het verschil tussen het fokken met van oorsprong wilde diersoorten en gedomesticeerde soorten. Heck's inzichten en methodiek fungeerden als splijtzwam tussen de lijnen van Praag en München met als gevolg dat München en de meeste fokstations in Amerika, die nauw gerelateerd waren aan München, voor lange tijd een eenzijdige fokkerijpolitiek zouden gaan voeren. Er ontstond een zogenaamde subpopulatie, waarin nog slechts een negental van de oorspronkelijke stamouders zich deed gelden, omdat twee wildgevangen stamouders sterk gerelateerd waren aan de bloedlijn van de huispaardmerrie.
In 1982 publiceerde J. Dolan van de San Diego Zoological Society een artikel waaruit bleek dat Heck's selectiemethode weinig resultaat had gehad. Ondanks een consequent doorgevoerde selectie op uiterlijk en gedragskenmerken was het onmogelijk om verschillen te zien in "zuiver" en niet-zuivere" Przewalski-paarden.
Een andere niet minder belangwekkende ontwikkeling in de jaren vijftig was het initiatief tot het opzetten van het stamboek van de Przewalski-paarden. Geholpen door Dr Heck en vele anderen verzamelde Dr Erna Mohr gegevens van Przewalski-paarden, waarbij ze tot de eerste vangsten terugging. Ze modelleerde het stamboek naar dat van de wisenten, dat ze in de jaren dertig had helpen opzetten. De eerste keer dat het stamboek verscheen was als aanhangsel van haar in 1959 uitgegeven monografie "Das Urwildpferd". Het bevatte de gegevens van 228, tussen 1899 en 1958 in gevangenschap levende, Przewalski-paarden. De Europese Unie van Dierentuinen, waar mevrouw Mohr lid van was, vroeg aan Dr Jiri Volf uit Praag om het stamboekhouderschap op zich te nemen. Vanaf 1960 bracht Praag ieder jaar een herziene uitgave van het stamboek uit. Dit was een van de aanbevelingen die, op het in 1959 in Praag gehouden Eerste Internationale Symposium voor het Behoud van het Przewalski-paard, naar voren werd gebracht. Nadien volgden nog symposia in 1965, 1976, 1980 en 1990.
Van elk van deze symposia werden de bevindingen door de Oostduitse professor Dathe van het Tierpark Berlin als afzonderlijk deel van het vaktijdschrift Equus gepubliceerd. Deze uitgaven bevatten veel informatie over de morfologie, de ecologie en het gedrag van het Przewalski-paard en de fokkerij in gevangenschap.
Inhoud
De Derde Periode (1968-1967)
Mede door de uitwisselingen van Przewalski-paarden tussen de diverse fokstations en de totstandkoming van twee vruchtbare onverwante fokgroepen in München en Praag was in de tweede periode het aantal Przewalski-paarden fors toegenomen.
Na 1965 was er echter sprake van een trend in de omgekeerde richting. De belangrijkste fokcentra vervielen weer in hun oude gewoonte van een eenzijdig fokbeleid, waarin voor uitwisseling geen plaats was. Aangezien München met negen stamouders de oude Praagse foklijn (vijf stamouders) overtrof bezat deze dierentuin in genetisch opzicht de meest gevarieerde groep. Het inteeltspook kon in München redelijk bezworen worden.
De situatie in Praag verslechterde toen een zoon van Uran, Oskar (78 Praha 11) de haremgroep overnam. Hij verwekte bij zijn zusters èn bij zijn eigen dochters vijfendertig nakomelingen. Bij sommige van zijn nakomelingen bedroeg het inteeltcoëfficiënt al F 0.504!
Praag en München gingen met hun overschot aan Przewalski-paarden de markt op. Praag verkocht zesenvijftig nauw verwante Przewalski-paarden als fokpaar aan de dierentuinen van Whipsnade, Port Lympne, Rotterdam, Arnhem, Antwerpen, Keulen, Neurenberg, Oost-Berlijn, Leipzig, Riga, Warschau, Askania Nova en zelfs aan de dierentuin van Havana. Door het consequent doorfokken met deze bloedverwante dieren ontstond een nakomelingschap met zeer hoge inteeltcoëfficiënten; in enkele gevallen zelfs tot het maximum van F 0.597. In de meeste gevallen echter staakte bij deze dieren, na een of twee generaties, de voortplanting.
Van alle dierentuinen bezat Parijs aanvankelijk de beste kaarten. In 1942 kocht deze dierentuin de toen tienjarige uit een Amerikaanse lijn stammende hengst 225 Sidney 4 van de firma Hagenbeck. Op zijn negentwintigste verwekte hij bij een uit Praag afkomstige merrie nog een hengstveulen, maar hij maakte de geboorte van zijn zoon Pacifique (281 Paris 5) niet meer mee. Dit betekende echter dat Parijs met de nauwelijks ingeteelde Pacifique een belangrijke troef in handen had. Met Pacifique ontstond een geheel nieuwe foklijn. Hij dekte merries uit Praag.
Net als Praag ontkwam ook München niet aan de gevolgen van de oververtegenwoordiging in de fokkerij van enige hengsten. De zoon van Neville, Severin, verwekte zevendertig veulens in München en Catskill. Hij werd in München opgevolgd door zijn halfbroer Sidor. Sidor, die met zijn eigen zusters en halfzusters werd samengebracht, kreeg negentwintig nakomelingen. Hierdoor werd ook in München de inteelt weer schrikbarend hoog. München verkocht het merendeel van zijn nageslacht aan dierentuinen in de Verenigde Staten. Chicago ontving in 1955 een paar dat zich echter niet voortplantte. Tussen 1956 en 1963 kocht de Catskill Game Farm, gelegen in de Appalachen, vijf hengsten en acht merries. In Catskill ging het met de fokkerij kwantitatief gezien voor de wind. Zevendertig Przewalski-paarden werden in die periode verkocht aan andere dierentuinen in de Verenigde Staten, maar deze dieren waren zeer nauw aan elkaar verwant. Het gemiddelde inteeltcoëfficiënt van de ingevoerde Przewalski-paarden was F 0.138, maar in 1979 was voor de vierde generatie nakomelingen van moederszijde al de tragische top van F 0.365 bereikt.
Zo rond 1970 deed de genetische invloed van de laatste wild gevangen Przewalski-merrie Orlitza III (231 Mongol) zich gelden.
In 1947 had men haar in de buurt van het Bajtag-Bogdogebergte in zuidwest Mongolië als veulen gevangen.
In 1957 belandde ze in Askania Nova. De Münchense hengst Orlik (146 Hellabrunn 19) verwekte bij haar vier veulens. Orlitza werd zo de twaalfde oorspronkelijk wilde stamouder van de huidige generaties Przewalski-paarden. Een van haar dochters stierf zonder ooit een veulen gehad te hebben; de andere, Volga (244 Askania 1), kreeg van haar vader, broer, zoon en neef vier veulens. Orlitza's zoon Pegas (259 Askania 2) werd de fokhengst van de nieuw opgezette groep in Askania Nova.
In 1965 en 1971 werden voor dit doel Przewalski-merries uit Praag in Askania Nova geïntroduceerd. Bars (285 Askania 3), Orlitza's andere zoon, werd ingezet als de fokhengst in Praag. Pegas en Bars waren gelukkig erg viriel, zodat de behoorlijk ingeteelde merries uit Praag toch nog een in genetisch opzicht divers nakomelingschap op de wereld zetten.
De inteeltcijfers daalden aanzienlijk. Het is aan het totaal aantal van 253 Przewalski-paarden (eind 1975) op de wereld nauwelijks merkbaar, maar in vergelijking met 1970 was de populatiegroei met 38% toegenomen.
Bij nadere beschouwing blijkt dat in 1974 de laag-ingeteelde nakomelingen van de laatste wild gevangen merrie tien veulens meer hadden gekregen dan de Przewalski-merries met hoge inteeltcoëfficiënten.
De Stichting heeft uitgerekend dat zonder de inbreng van Orlitza's nakomelingschap de populatie-aanwas in 1974 niet 12% maar 9% en in 1975 niet 4% maar 2% zou zijn geweest.
Na 1970 kwamen er nieuwe ontwikkelingen op gang. Przewalski-paarden uit München en Praag werden gekoppeld aan paarden, die juist wel of geen bloed van Orlitza III in zich hadden. Meestal liet men hengsten uit München of de Verenigde Staten uit Praag stammende merries dekken. Dit gebeurde het eerst in Neurenberg, Oost-Berlijn en Leipzig, later ook in Keulen. Onder andere in het Marwell Zoological Park (Verenigd Koninkrijk), Port Lympne (Verenigd Koninkrijk), Oberwil (Zwitserland) en de Minnesota Zoological Garden (Verenigde Staten) kwamen er nieuwe fokgroepen. Om deze groepen een kwalitatief beter leven te geven huisvestte men ze in kleine omheinde grasweiden. In drie van de groepen was er een ruime vertegenwoordiging van de oorspronkelijke stamouders aanwezig hetgeen duidelijk naar voren kwam in de lage inteeltcoëfficiënten van hun nakomelingen.
De populatie nam aanzienlijk toe: in januari 1980 werd het hoogtepunt van 384 Przewalski-paarden bereikt. Met uitzondering van Minnesota, vond er bij deze groepen geen uitwisseling van hengsten plaats en werd er gedurende de derde periode alleen met directe verwanten gefokt, zodat hun nageslacht weer aardig ingeteeld was.
In de derde periode van de fokgeschiedenis van Przewalski-paarden in gevangenschap doen zich ontwikkelingen voor die bijzondere aandacht vragen.
Sinds 1968 zijn er slechts sporadisch onbevestigde waarnemingen van in het wild levende Przewalski-paarden geweest. Het werd duidelijk dat het Przewalski-paard bijna of zelfs in het wild was uitgestorven. Dit betekende dat er in de toekomst geen nieuwe genetische bijdrage vanuit het wild te verwachten was.
Tijdens het in München gehouden Derde Symposium voor het Behoud van het Przewalski-paard (1976) toonde men zich ondanks de sterke getalsmatige toename van de laatste paar jaren ernstig bezorgd over het voortbestaan van de wereldpopulatie in gevangenschap levende Przewalski-paarden. Samen met de zoötechnicus Ing. H. Bos had Jan Bouman middels demografische en genetische analyses bewezen dat de consequent doorgevoerde praktijk van de fokkerij met bloedverwante dieren had geleid tot een per generatie toenemende inteelt. Een stijgend aantal dieren stierf op jonge leeftijd en ook de gemiddelde levensduur van de andere Przewalski-paarden nam sterk af. Dit toonde duidelijk aan dat de vitaliteit van de Przewalski-paarden in de loop van diverse generaties behoorlijk achteruit was gegaan.
Door beleidspraktijken zoals het opzettelijk klein houden van populatiegroepen, het hanteren van onnatuurlijke selectiecriteria en een oververtegenwoordiging van bepaalde hengsten in de fokkerij had de natuurlijke reserve aan genetische verscheidenheid binnen de genenpool van de soort dramatisch ingeboet.
Jan Bouman bood tijdens het Symposium de deelnemers het gebruik van het door hem uitgedachte en reeds ten dele gecomputeriseerde stamboek-inventarisatiesysteem aan. In combinatie met de gegevens verstrekt door het stamboek in Praag zouden er dan richtlijnen voor een fokprogramma op mondiaal niveau kunnen worden opgesteld.
Zijn voorstel was de Przewalski-paarden in dierentuinen als één fokgroep te beheren. De inteelt moest een halt toegeroepen worden en er diende een evenredige stamouderrepresentatie te zijn om de genetische diversiteit te behouden. Het Symposium deed, hopende op een omslag in de handelsmentaliteit, de aanbeveling om bij de aan- of verkoop van Przewalski-paarden het door Jan Bouman ontworpen kaartsysteem te raadplegen. De praktijk was dat vaak nauw verwante dieren als fokpaar aangeboden en verkocht werden.
Jammer genoeg bleek de tijd nog niet rijp voor internationaal gecoördineerde fokprogramma's. Een volledig en evenwichtig gevoerde genetische politiek zou natuurlijk alleen succesvol kunnen zijn als alle fokkers van Przewalski-paarden hun medewerking zouden verlenen. Samenwerking en overleg werden ernstig beperkt door verschillen in organisatie, kennis en ook door geografische en politieke barrières. De meeste houders van Przewalski-paarden verkeerden, financieel gezien, in een sombere situatie en de mogelijkheid om via de lucratieve handel in Przewalski-paarden de kas wat bij te spekken maakte het voor hen niet erg aanlokkelijk om tot samenwerking over te gaan. Toentertijd bedroeg de marktwaarde van een fokpaar Przewalski-paarden wel tien- tot achttienduizend dollars.
In 1978 organiseerde de toen nog prille Stichting tot het Behoud en ter Bescherming van het Przewalski Paard in samenwerking met de staf van Burgers Dierenpark in Arnhem een studieconferentie. Een uitgelezen internationale groep van wetenschappers besprak er de bevindingen op het gebied van de genetica en van erfelijke ziekten bij Przewalski-paarden. Ze trok vergelijkingen met hun uitgebreide expertise op het gebied van huispaardrassen.
De resultaten van een vergelijkend bloedonderzoek van Przewalski-paarden en Mongoolse pony's waren belangrijk omdat er, zoals we al eerder schreven, ooit in Halle een van de huispaardpleegmoeders in de fokkerij was ingezet. Tot in de details werd besproken wat men met het genetisch onderzoek in het belang van toekomstige fokprogramma's wilde bewerkstelligen. Voor de eerste keer in de geschiedenis had men het optreden van bepaalde ziekten en gebreken zoals ataxie en onderontwikkelde ovaria aan een diepgaand analytisch onderzoek onderworpen.
Tijdens de conferentie in Arnhem werd een werkgroep opgericht, die onderzoek ging doen naar deze ziekten en later verslag van haar bevindingen uitbracht.
Helaas, moest door tegenwerking van enige dierentuinen, de werkgroep haar activiteiten staken.
Hoe werkt de Rassenlijst?
Hoe werkt de Rassenlijst?
Ik heb een Rassenlijst gemaakt. Dit omdat vele paarden, pony, ezel en zebra rassen per land en zelfs per streek anders worden genoemd. Het is dus zo dat één ras vele verschillende 'namen' kan hebben. Dit schept soms verwarring. Daarom heb ik getracht een lijst te maken op alfabet.
Weet jij nog een verbetering of aanvulling voor de rassenlijst, dan hoor ik het natuurlijk graag van je!
zaterdag 21 maart 2009
Geschiedenis van het Przewalski-paard
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten